Corona in het verpleeghuis

08 apr Corona in het verpleeghuis

Emma studeert en droomt van een baan in een ziekenhuis. Om wat geld te verdienen én om ervaring op te doen, heeft ze een bijbaantje in de zorg. Ze werkt in een groot verpleegtehuis in de Randstad en wordt ingezet op verschillende afdelingen, waar bewoners liggen met onder meer zware lichamelijke aandoeningen en dementie. Vrijwel allemaal zijn ze heel hulpbehoevend. Een deel van hen vertoont moeilijk of agressief gedrag. Pittig werk voor een jonge meid van 21 jaar, maar Emma deinst er niet voor terug. Ze pakt gewoon aan en dat wordt gewaardeerd op de plekken waar ze bijspringt.

Gisteravond echter was alles anders. Toen werkte ze op een afdeling waar corona heerst. Het was ‘hel’ geweest. Zo erg dat ze dit in deze tijd niet meer wil doen. Dit is haar (geanonimiseerde) verhaal.

Een kruis van rood tape

“Ik kom aan en meld me net als altijd bij de receptie, om een bloesje en naamkaartje op te halen. Neem dan de lift naar de verdieping waar ik moet zijn, stap uit en zie meteen een groot kruis van rood tape en de tekst ‘coronabesmetting’.

Het eerste wat ik denk, is: ‘Ik ben hier vier dagen geleden nog geweest; toen was er niets aan de hand’. ‘Is er corona?’, vraag ik iemand die een beetje gestrest in een uniform rondloopt. ‘Ja, heb je niks gehoord?’ Daarna, kortaf: ‘Wil je werken of niet?’ Ik aarzel, maar het voelt voor mij niet echt alsof ik een keuze heb. En dus zeg ik ‘ja.’”

Plastic pak, mondkapje en bril

“Dan ga je naar binnen en voordat je het weet, ben je bezig een plastic pak aan te trekken, met mouwen die goed sluiten, een mondkapje en een bril op. Ondertussen krijg je instructies. Elke keer als je een kamer binnenkomt, moet je een extra schort voor doen én handschoenen aantrekken. En elke keer als je een kamer verlaat, doe je ze weer uit en trek je een schoon schort en nieuwe handschoenen aan voordat je een andere kamer binnengaat. Oké… denk je dan.

Dan begint het werk, op een heel andere manier dan anders. Normaal gesproken beginnen we in de woonkamer en zorg je daar met z’n drieën dat iedereen te eten krijgt. Nu zijn er drie bewoners met corona die door een zuster worden verzorgd op hun eigen kamer en 17 andere die ook op hun eigen kamer moeten blijven.”

De pieper blijft afgaan

“Je draagt een pieper die voortdurend afgaat. Mensen bellen met wel tien tegelijk. Sommige omdat er echt iets is: ‘Ik moet naar de wc’ of: ‘Ik heb nog geen eten gehad’; andere omdat ze niet begrijpen wat er allemaal gebeurt. Iemand roept: ‘Ik wil bellen met mijn familie’. Die moet je uitleggen dat dat niet kan.

Je wilt iedereen zoveel mogelijk helpen of geruststellen. Maar doordat je in dat onhandige pak loopt en telkens je schort en handschoenen moet wisselen, ben je met elke vraag veel te lang bezig.

Het pak ventileert niet. Je handen worden in die nauwsluitende mouwen nat van het zweet. Nadat je een paar keer die handschoenen verwisseld hebt, gaan je handen zo plakken dat je je nieuwe handschoenen bijna niet meer aankrijgt. Terwijl iedereen om je heen roept of piept, sta jij op de gang te klungelen met die dingen. Je weet dat je ze aan moet, maar het kost veel te veel tijd; tijd die je niet hebt.

Na een tijdje stapelt het zich op. Je moet zoveel tegelijk doen; je komt mensen en handen tekort. En dan gaat er tot overmaat van ramp ook nog een collega naar huis, die koorts heeft.”

Niet nóg meer

“Normaal gesproken zijn we in een uur met het avondeten klaar, nu zijn we bijna tweeënhalf uur bezig. Daarna wordt het werk verdeeld. Een collega gaat volledig bezig met de drie corona patiënten, de andere zorgt voor alle medicijnen; ik verzorg het drinken en loop alle belletjes af.

Terwijl je met de ene bewoner bezig bent, komen er alweer nieuwe dingen bij. Iemand heeft diarree en de helft ligt naast de wc. Terwijl je dat schoonmaakt, piept een andere vrouw dat ze naar het toilet moet, maar er is niemand beschikbaar om te helpen. Je hoort alleen maar piep-piep-piep, daar word je gek van. ‘Niet nóg meer’, denk je, want ik loop nu al overal achteraan…

Mensen moeten in bed geholpen worden. Dat is altijd wel een een klus, maar in dat pak is het verschrikkelijk. Een enkele bewoner kan zelf opstaan, maar de meeste moet je vanuit de rolstoel met een tillift in bed helpen. Dat pak maakt het zo warm. Je hoofd is nat van het zweet, je bril gaat beslaan en op een gegeven moment heb je het gevoel dat je alleen nog maar je eigen CO2 aan het inademen bent. Waar is nog zuurstof?

Dat wordt versterkt door de angst die je bij de mensen ziet. Je hoort iemand huilen, omdat hij niet snapt wat er gebeurt. Daar ga je even naartoe. Je legt het nog een keer uit, zegt dat het wel goed komt, terwijl je zelf ook denkt: ‘Is dat wel zo? Ik trek dit niet meer’.

Niet iedereen is angstig; sommige bewoners blijven rustig en zijn heel begripvol. Ik was vergeten een man eten te geven: ‘Het geeft niet’, zegt hij, ‘ik begrijp het wel’. Hij is gewoon dankbaar dat hij alsnog te eten krijgt. Dat is natuurlijk lief, maar ik vind dat het niet kan. Die mensen hebben niet verdiend om zo behandeld te worden.”

Gillen van de pijn

“Een andere meneer blijft bellen. Pas na een uur kan ik bij hem komen. Hij gilt het uit van de pijn: ‘Ik moet uit bed, in mijn rolstoel!’ Ik weet dat dat hem verlichting geeft, maar ik kan hem niet helpen, want ik heb dat nog nooit gedaan en ik mág dat ook niet zelf doen. Dus moet ik er iemand bijhalen.

Dat doe ik, maar als mijn collega komt, zegt ze: ‘Het kan niet, want zoiets kost te veel tijd. We hebben geen tijd om u straks weer in bed te leggen en u kunt niet de hele nacht in de rolstoel blijven zitten’. Tegen mij zegt ze dat ik moet weglopen, maar het lukt me niet. Ik sta naar die arme man te kijken die maar blijft gillen… het is alsof je in een martelkamer bent. Uiteindelijk hebben we hem een zware pijnstiller gegeven, en na een tijdje kalmeert hij gelukkig. 

Ik voel me machteloos. Normaal ben je juist heel erg in contact met de mensen, om ze gerust te stellen. Het is al heel naar als je daar zit, en bijna niks zelf kunt. Je bent compleet afhankelijk van anderen. En dan komt er iemand binnen in zo’n pak en weet je dat er corona op de afdeling is. Dat schrikt ontzettend af.

Je probeert het wel steeds uit te leggen: ‘Ja. mevrouw, ik heb een heel raar pak aan, maar dat moet, want anders wordt u ook ziek.’ De meeste snappen wel wat er aan de hand is en waarom we er zo bij lopen. Maar toch worden ook die mensen bang.

Op een gegeven moment zie ik de gang dubbel. Je hoopt bijna dat je flauwvalt. Na ruim drie uur staan we even met zijn drieën bij elkaar. Alle drie zitten we er zwaar doorheen, maar je weet dat je nog lang niet klaar bent.”

“Je wilt me vermoorden!’

“Dan kom ik bij een vrouw die helemaal van de kaart is en tegen me begint te schreeuwen: ‘Je sluit me op! Ik bel de politie! ik wil weg hier!’ Je probeert haar gerust te stellen, maar het werkt niet. ‘Je bent een Nazi. Vieze jood, je wilt me vermoorden!’ Je probeert het nog een keer uit te leggen: ‘Mevrouw, ik moet deze kleding aan, ik ga u in bed leggen’… maar ze wordt alleen maar wilder. En opeens haalt ze naar me uit. Ik kan mijn hoofd nog maar net wegdraaien.

Ik loop de kamer uit, sta bijna te janken en zeg tegen mijn collega: ‘Sorry, ik kan dit nu niet’. Terwijl zij naar binnengaat, zie ik mezelf in gedachten de week ervoor nog bij dezelfde mevrouw naar binnen lopen. Toen ging het heel rustig en goed, en noemde ze me nog ‘een schat, een lieverd’.

Even later zie ik mijn collega die dit al jaren doet, met het zweet op het voorhoofd voor zich uit kijken. ‘Wat moet ik nu nog doen dan?’, zegt ze, ‘Ik weet het echt niet meer’. Dit is zo extreem. Dit gooit alles omver.

Ze durven me bijna niet te vragen: ‘Wil je nog wat langer blijven?’ Voor mij is dit een bijbaantje, voor hun is het hun dagelijkse werk. Ik ben nog een half uur langer gebleven en daar waren ze blij mee.

Tegen het einde van mijn dienst krijg ik een paniekaanval. Ik voel hartkloppingen en de stress giert door mijn lichaam. Mijn collega’s zien het en als ik wegga, zeggen ze: ‘Waarschijnlijk zien we je niet meer terug’.”

Dit red je niet met een basisopleiding en een beetje ervaring

“Voordat ik hier ging werken, heb ik een speciale opleiding gedaan, zodat je de basisvaardigheden beheerst. Daar voel ik me best zeker over. Ik kan alle verrichtingen doen en wat ik nog niet helemaal precies weet, leer ik wel in de praktijk. Als je eenmaal gezien hebt hoe je bijvoorbeeld een zwaarder iemand op zijn zij moet rollen, lukt je dat de volgende keer zelf. 

Maar je weet niet alles. Met één bewoner ging het bijna mis, omdat ik een signaal niet herkende. (Vanwege privacy redenen weiden we hier niet verder over uit, red.) Normaal gesproken zou dat niet gebeuren en had je er allang iemand bijgehaald, maar nu kon dat niet. Het is gelukkig goed gegaan, maar eigenlijk is dat onverantwoord. In dit soort extreme situaties red je het niet als je een beperkte opleiding en weinig ervaring hebt.

Op andere avonden is dit ook zwaar werk, maar toch prima te doen. Soms is het heel druk en heb je heel veel vragen van mensen, maar dan kan ik in de tijd die ik heb, iedereen even aandacht geven. Dan merk je ook dat mensen blij met je zijn. Laatst was er een mevrouw die zei: ‘Je bent er weer, hè?’ Blijkt dat ze gewoon je naam nog weet en blij is dat je er bent. Dan is mijn hele avond goed. Daar doe ik het voor.”

Slappe dweil met bloemen in haar hand

“Vanavond lukt dat totaal niet. We geven met z’n allen gewoon slechte zorg. Als je er reëel naar kijkt, weet je wel dat je er alles aan doet en dat je niet meer kan dan je kan. Het gekke is, toch vind je van jezelf dat je het wel moet kunnen. Toen ik die paniekaanval kreeg, dacht ik: ‘Wat ben je nou voor een slappe dweil?’ Normaal gesproken kan ik best wat aan.

Op tv en op Facebook zie je allemaal berichten over hoe het is als er corona heerst in de zorg en in het ziekenhuis. Toch kun je je niet voorstellen hoe het is als je er middenin staat. In dat pak, met die stress en je lijf en die paniek in je hoofd.Je loopt je benen uit je lijf en tegelijkertijd blijf je denken dat je tekortschiet.

Aan het eind van m’n dienst maak ik mijn bril schoon met 90% alcohol en lever ik mijn blouse in, die drijf-en-drijfnat is van het zweet. Als ik beneden kom, kijkt de vrouw bij de receptie mij aan: ‘Gaat het goed?’, vraagt ze. ‘Nee’, zei ik, ‘niet echt’. Ze geeft me een bosje tulpen mee dat voor de verplegers was afgegeven. Dat vind ik lief. Even later sta ik in m’n eentje op straat te janken, hard te janken, met die bloemen in mijn hand.

Onderweg naar huis denk ik: ‘Vier dagen geleden werkten we niet met beschermend materiaal. Toen liep ik op dezelfde afdeling, en nu liggen er drie mensen met corona. Misschien heb ik het ook wel. Of misschien heb ik het wel meegebracht.’

Ik ben niet ziek geweest en mensen in mijn omgeving ook niet, maar je leest dat je het wel bij je kunt hebben en kunt overdragen. Voor mezelf ben ik niet zozeer bang, maar wel dat ik het meeneem naar huis en anderen besmet. Ik heb mezelf goed beschermd, en ik heb niet met de corona patiënten gewerkt, maar je werkt wel in een coronahaard.

Stom hè. Dat je dat doet. Omdat ik niet ‘nee’ kan zeggen.”

No Comments

Sorry, the comment form is closed at this time.